examenopgaven 5 vwo thema 5druk op toets F11 om de afbeeldingen beter te zien  

1v2007-1-01 3v2006-1-01 10v2005-1-10 15v2002-1-04 22v2001-1-27 27v2000-1-09
2v2007-1-02 4v2006-1-02 11v2005-1-11 16v2002-1-05 23v2001-1-31 28v2000-1-10
5v2006-1-03 12v2005-1-28 17v2002-1-06 24v2001-1-33 29v2000-1-12
6v2006-1-18 13v2005-1-29 18v2002-1-07 25v2001-1-34 30v2000-1-32
7v2006-1-19 14v2005-1-30 19v2002-1-08 26v2001-1-35 31v2000-1-33
8v2006-1-20 20v2002-1-09 32v2000-1-34
9v2006-1-21 21v2002-1-10 33v2000-1-35
34v2000-1-43
35v2000-1-44

Lemmingen
Dat lemmingen, kleine knaagdieren uit ScandinaviŽ en Groenland (zie de afbeelding), bij overbevolking collectief zelfmoord plegen door zich massaal vanaf rotskliffen in zee te storten, is een overbekende fabel.

bewerkt naar: Olivier Gilg, Ilkka Hanski en BenoÓt Sittler, Cyclic Dynamics in a simple Predator-Prey Community, Science 302, 31 oktober 2003, 867

Bij een onderzoek in de Karup Vallei op Groenland telde een onderzoeksgroep van 1988 tot 2002 het aantal lemmingen. Bovendien werden de aantallen, het voortplantingssucces en het dieet bepaald van een aantal predatoren: de sneeuwuil, de kleinste jager (een meeuwachtige vogel) en de poolvos.
Het gemiddelde aantal lemmingen dat per dag wordt gegeten als functie van de gemiddelde lemmingendichtheid is in onderstaande afbeelding weergegeven.

bewerkt naar: Olivier Gilg, Ilkka Hanski en BenoÓt Sittler, Cyclic Dynamics in a simple Predator-Prey Community, Science 302, 31 oktober 2003, 867

1p   1 Hoeveel hectare moet een sneeuwuil ten minste bejagen voor het verkrijgen van zijn dagelijkse buit lemmingen in een gebied met een dichtheid van ťťn lemming per hectare?
 

Een andere predator van lemmingen is de hermelijn. De hermelijn heeft in het gebied een bijzondere positie. Hij eet vrijwel alleen lemmingen, terwijl de andere drie predatoren nog alternatieve voedselbronnen hebben.
In de volgende afbeelding is de relatie tussen de dichtheid van de lemming en die van de hermelijn gedurende een aantal jaren weergegeven.

bewerkt naar: Olivier Gilg, Ilkka Hanski en BenoÓt Sittler, Cyclic Dynamics in a simple Predator-Prey Community, Science 302, 31 oktober 2003, 867

Iemand trekt uit de gegevens in het diagram van bovenstaande afbeelding de conclusie dat de hermelijn de lemmingendichtheid reguleert. Deze conclusie is voorbarig.

2p   2 Geef hiervoor twee argumenten.
 


Goudplevieren
Goudplevieren zijn trekvogels die in IJsland, ScandinaviŽ en Noord-Rusland broeden. Ze overwinteren langs de kust van Frankrijk, Spanje, Portugal en Noordwest-Afrika. Veel goudplevieren trekken door Nederland.
In de linker tekening van onderstaande afbeelding zijn de belangrijkste zuidwaartse trekbewegingen aangegeven. De pijlen geven de richting van de trek aan, waarbij de dikte van de pijl een maat is voor het aantal vogels dat deelneemt aan de trek. De zuidwaartse trek begint in de zomer, maar vindt vooral in het najaar plaats. De rechter tekening van onderstaande afbeelding geeft een overeenkomstig schema voor de noordwaartse trek, die vooral in het voorjaar plaatsvindt. Ongeveer 10% van de vogels komt na de overwintering niet meer terug in het broedgebied.

bron: J. Jukema e.a., Goudplevieren en wilsterflappers, eeuwenoude fascinatie voor trekvogels, Utrecht, 2001, 26

Op verschillende plaatsen in Nederland worden door vrijwilligers regelmatig urenlang overvliegende en foeragerende goudplevieren geteld.
Een deel van de goudplevieren wordt gevangen, opgemeten en geregistreerd. Daarna krijgen ze een gemerkte ring om een poot, waardoor ze worden herkend als ze opnieuw worden gevangen (ringonderzoek). De resultaten van de tellingen over de periode 1976 - 1993, en de gegevens uit het ringonderzoek worden gebruikt om beweringen over de vogeltrek te toetsen.

De resultaten van de tellingen geven een beeld van het aantal goudplevieren dat door Nederland is getrokken. Dit beeld is niet erg nauwkeurig.

3p   3 Geef drie verschillende oorzaken waardoor de tellingen geen nauwkeurig beeld geven.
 

Er zijn aanwijzingen dat een aantal vogels na overwintering in Zuid-Europa of West-Afrika niet via Nederland, maar via een meer oostelijke route door het Middellandse-Zeegebied terugvliegt naar hun broedgebied (zie afbeelding hierboven). In de jaren 1976 - 1993 zijn boven Nederland gemiddeld 210.000 goudplevieren geteld van juli tot september, 335.000 van september tot eind december en 375.000 van eind januari tot juni.
3p   4 - Kunnen de resultaten van bovenstaande tellingen worden gebruikt als argument vůůr de hypothese dat een deel van de populatie die in de late zomer en in het najaar door Nederland naar het zuiden trekt, via een andere route terugvliegt naar het broedgebied?
- Leg je antwoord uit met behulp van een berekening.
 

Uit gewichtsbepalingen aan gevangen goudplevieren blijkt dat ze zowel gedurende het voorjaar als gedurende het najaar gemiddeld zwaarder worden.
Van deze vogels is ook de totale hoeveelheid lichaamsvet en het vetvrije gewicht bepaald. Het vetvrije gewicht is een maat voor de hoeveelheid eiwit. Gegevens over de hoeveelheid vet en het vetvrije gewicht zijn in de diagrammen van onderstaande afbeelding weergegeven.

bron: J. Jukema e.a., Goudplevieren en wilsterflappers, eeuwenoude fascinatie voor trekvogels, Utrecht, 2001, 180-181

Op grond van de gegevens in bovenstaande afbeelding worden over de gewichtsveranderingen in het voorjaar en het najaar de volgende beweringen gedaan:

1 in het najaar berust de gewichtstoename vrijwel geheel op vetten;
2 in het voorjaar is de dagelijkse gewichtstoename gemiddeld circa drie keer zo groot als in het najaar;
3 bij het begin van de gewichtstoename is het verschil tussen het lichaamsgewicht in het voorjaar en het lichaamsgewicht in het najaar, minder dan 5%.
2p   5 Welke van deze beweringen is of welke van deze beweringen zijn juist?
A alleen bewering 1
B alleen bewering 2
C alleen bewering 3
D alleen bewering 1 en 2
E alleen bewering 2 en 3
F de beweringen 1, 2 en 3
 


Cichliden
In de Oost-Afrikaanse meren bestaat het visbestand voornamelijk (baarsachtige visjes). Een groot deel van deze cichliden behoort tot het genus (geslacht) Haplochromis. Binnen dit genus bestaan uiteenlopende groepen voedselspecialisten zoals slakkenkrakers, algenschrapers, planktoneters en pedofagen (eters van jonge visjes).
Uit visvangsten in de Mwanzagolf van het Victoriameer bleek dat daar een aantal sterk op elkaar gelijkende soorten planktoneters voorkomt. Biologen hebben onderzocht of deze nauw verwante soorten zodanig ecologisch gescheiden leefden dat onderlinge competitie werd vermeden.
Onderstaande afbeelding toont de dichtheidsverdeling van drie soorten planktoneters op verschillende diepten in de Mwanzagolf. Daartoe zijn gedurende vier dagdelen (blokken van zes uur) visvangsten gedaan op verschillende diepten in de veertien meter diepe Mwanzagolf. Elk grijs balkje vertegenwoordigt een percentage van de populatie dat zich tijdens dat dagdeel op de diepte bevindt die op de verticale as is aangegeven.

bewerkt naar: T. Goldschmidt, An ecological and morphological fieldstudy on the haplochromine cichlid fishes of Lake Victoria, Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden, 1989, 34

In de uitwerkbijlage (hieronder) is een lege tabel en een assenstelsel op millimeterpapier opgenomen.

4p   6 - Lees in de afbeelding met de diagrammen af welk percentage (op 2% nauwkeurig) van elk van de drie populaties zich tijdens de vier verschillende dagdelen tussen de 4 en 5 meter diepte bevindt. Vul de tabel op de uitwerkbijlage in.
- Presenteer deze gegevens in de vorm van een staafdiagram in het assenstelsel op de uitwerkbijlage.
- Voeg de legenda toe.
 


bewerkt naar: T. Goldschmidt, An ecological and morphological fieldstudy on the haplochromine cichlid fishes of Lake Victoria, Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden, 1989, 34

2p   7 Tussen welke van de drie onderzochte soorten haplochromiden is op grond van de gegevens in bovenstaande afbeelding het meest competitie te verwachten?
A tussen H. argens en H. heusinkveldi
B tussen H. argens en H. pyrrhocephalus
C tussen H. heusinkveldi en H. pyrrhocephalus
 

Uit analyses van maaginhouden blijkt dat deze soorten zich niet beperken tot het eten van plankton. Ze eten ook verschillende soorten muggenlarven (Chaoborus sp. en Chironomus sp.), insectenresten en bodemorganismen. Van Chaoborus-larven is bekend dat ze zich overdag in de modderige bodem bevinden. Tegen de avond komen ze tevoorschijn en migreren naar de oppervlakte en dalen ís ochtends weer naar de bodem af. De diagrammen in onderstaande afbeelding geven informatie over de samenstelling van het voedsel van H. argens, H. heusinkveldi en H. pyrrocephalus overdag en ís nachts. De samenstelling van het voedsel is als gemiddeld volumepercentage van de maaginhoud weergegeven. De metingen zijn verricht op plaatsen waar het meer 14 meter diep is.

bewerkt naar: T. Goldschmidt, An ecological and morphological fieldstudy on the haplochromine cichlid fishes of Lake Victoria, Proefschrift Rijksuniversiteit Leiden, 1989, 41

Naar aanleiding van de gegevens in bovenstaande afbeelding en de afbeelding van de vorige vraag worden twee beweringen gedaan:

1 door H. pyrrhocephalus wordt detritus vooral in het eerste dagdeel (van 5-11 uur) gegeten;
2 H. pyrrhocephalus vervangt ís nachts procentueel gezien een kleiner deel van zijn voedsel door Chaoborus-larven dan H. argens dat doet.
2p   8 Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
A geen van beide beweringen
B alleen bewering 1
C alleen bewering 2
D beide beweringen
 

Het vermijden van competitie tussen soorten komt tot stand door middel van onder andere niche(nis)-segregatie.
Uit onderzoek is gebleken dat:
1 de meeste individuen van H. argens zowel ís nachts als overdag gemiddeld dichter bij de oppervlakte verblijven dan de meeste individuen van H. heusinkveldi;
2 H. pyrrhocephalus zowel overdag als ís nachts vooral dierlijk plankton eet, terwijl het dieet van de andere twee soorten gevarieerder van samenstelling is.
2p   9 Welk van deze gegevens is of welke zijn een aanwijzing voor het bestaan van nichesegregatie tussen de genoemde soorten?
A geen van beide gegevens
B alleen gegeven 1
C alleen gegeven 2
D beide gegevens
 


De Noordzee
In de Noordzee wordt onderzoek gedaan naar de visstand. Voor het ecosysteem van de Noordzee zijn de energiestromen in kcal per m2 per jaar berekend. Deze gegevens zijn weergegeven in het schema van onderstaande afbeelding.


bewerkt naar: J.H. Steele, The structure of marine ecosytems, Oxford, 1974, 20

Volgens dit schema wordt de mens onder andere tot het trofische niveau C3 (consument van de 3e orde) gerekend.

2p  10 - Tot welk ander niveau of welke andere niveaus kan de mens volgens het schema van bovenstaande afbeelding gerekend worden?
- Bereken met behulp van de gegevens in dit schema tot op ťťn decimaal nauwkeurig de energieopname in kcal m-2 j-1 uit dit systeem door de mens op trofisch niveau C3.
 

Benthos is een verzamelnaam voor bodemdieren. In de afbeelding hieronder is een voorbeeld weergegeven van de samenstelling van benthos.

bron: A.G. Salvanes, Marine Ecology, progress series, volume 90-1, 1992, 12

Naar aanleiding van de gegevens van bovenstaande afbeelding worden de volgende uitspraken gedaan:

1 De grootste aantallen zeekomkommers bevinden zich op 10.000 meter diepte;
2 Op 3500 meter diepte bestaat het grootste deel van de biomassa van het benthos uit Echinodermata;
3 Van de klasse koralen bevinden zich de meeste soorten tussen de 7000 en 8000 meter.
2p  11 Welke van deze uitspraken is of welke zijn zeker juist op grond van de gegevens in de afbeelding?
A alleen uitspraak 1
B alleen uitspraak 2
C alleen uitspraak 3
D alleen de uitspraken 1 en 2
E alleen de uitspraken 2 en 3
F de uitspraken 1, 2 en 3
 


Witte klaver
Turkington onderzocht de bladvorming van witte klaver (Trifolium repens) onder verschillende omstandigheden: hij kweekte genetisch identieke witte klaverplanten afzonderlijk op (experiment P), of gemengd met andere planten zoals Agrostis tenuis (experiment Q), Phleum pratense (experiment R) of gewone soortgenoten Trifolium repens (experiment S). In alle vier experimenten was het aantal genetisch identieke klaverplanten per oppervlak gelijk. Op achtereenvolgens zes verschillende tijdstippen werden de leeftijden van de blaadjes aan deze genetisch identieke klaverplanten bepaald. De metingen vonden om de 1 tot 3 maanden plaats. De resultaten zijn weergegeven in onderstaande afbeelding.


bewerkt naar: Michael J. Crawley, Plant Ecology, Imperial College, Londen, 1989, 130

Een ecosysteem wordt gekenmerkt door de aanwezige abiotische en biotische factoren en de onderlinge samenhang hiertussen.
Het onderzoek van Turkington heeft in eerste instantie betrekking op biotische factoren.

2p  12 Wat is de biologische term voor de samenhang tussen de biotische factoren die Turkington heeft onderzocht?
A concurrentie (competitie)
B mutualisme
C successie
D symbiose
 



bewerkt naar: Michael J. Crawley, Plant Ecology, Imperial College, Londen, 1989, 130

De verschillende diagrammen van experiment R worden met elkaar vergeleken.
Leerling 1 beweert dat in experiment R er minimaal zes weken zitten tussen de metingen II en III.
Leerling 2 beweert dat in experiment R de klaverplanten bij meting I meer bladeren hebben dan bij meting IV.

2p  13 Welke leerling heeft of welke leerlingen hebben gelijk op grond van de gepresenteerde resultaten?
A geen van beide leerlingen
B alleen leerling 1
C alleen leerling 2
D allebei leerlingen
 



bewerkt naar: Michael J. Crawley, Plant Ecology, Imperial College, Londen, 1989, 130

Het resultaat van de vijfde meting (V) van experiment P wordt vergeleken met het resultaat van de vijfde meting (V) van experiment S. Deze metingen zijn in het begin van het voorjaar uitgevoerd.
Een leerling beweert dat het verschil in resultaat bij experiment P en S het gevolg is van een verschil in microklimaat.

2p  14 - Beschrijf het verschil in resultaat van experiment P en experiment S bij meting V.
- Leg uit dat een verschil in microklimaat een verklaring kan zijn voor deze resultaten.
 


Relaties in een ecosysteem
Relaties tussen soorten binnen een ecosysteem zijn competitie (= concurrentie), commensalisme, mutualisme, parasitisme en predatie. De grenzen tussen de verschillende relatievormen zijn niet altijd duidelijk te trekken. De afbeelding hieronder laat een relatie zien tussen twee soorten in een ecosysteem.


2p  15 Voor welke van de genoemde relatievormen laat de afbeelding zien dat de grenzen niet altijd nauwkeurig zijn aan te geven?
A commensalisme en concurrentie
B commensalisme en mutualisme
C concurrentie en mutualisme
D concurrentie en parasitisme
E concurrentie en predatie
F parasitisme en predatie
 


De toendra
De toendra is een ecosysteem dat voorkomt in het noordelijk deel van AziŽ, Europa en Noord-Amerika. Op de breedtegraden waar de toendra voorkomt, groeien geen bomen. In de afbeelding hieronder zijn in een schema de belangrijkste energiestromen in een toendra weergegeven.



bewerkt naar: R. Brewer, The science of ecology, Philadelphia, 1988, 464

In dit schema van de energiestromen worden vier symbolen gebruikt. Deze symbolen zijn weergegeven in de afbeelding hieronder en met P, Q, R en S aangeduid.

2p  16 Welk symbool duidt of welke symbolen duiden heterotrofe organismen aan?
A alleen Q
B alleen R
C alleen S
D Pen Q
E Q en R
F R en S
 

In het ecosysteem dat in de afbeelding hieronder is weergeven, worden lemmingen gegeten door onder andere wolven en haviken.



In de afbeelding hieronder is een lemming getekend.

bron: F.H. van den Brink met afbeeldingen door P. Barruel, Zoogdierengids voor alle in ons land en overig Europa voorkomende zoogdiersoorten, Amsterdam/Brussel, 1978, 96

1p  17 Geef het nummer of de nummers van de groep(en) organismen uit het schema van het ecosysteem, die tot hetzelfde trofische niveau behoort of behoren als lemmingen.
 

Lemmingen kunnen snel in aantal toenemen. Na een dracht van 20-22 dagen worden 3-9 jongen geboren. Bovendien hebben lemmingen meestal meer dan ťťn worp per jaar. In een kusttoendragebied rond Burrow, in Alaska, zijn sinds 1945 tellingen uitgevoerd van het aantal lemmingen. De afbeelding hieronder geeft de resultaten weer van dit onderzoek in de periode 1955-1970.


bewerkt naar: O.W. Archibold, Ecology of world vegetation, London etc., 1995, 312

3p  18 Leg - uitsluitend aan de hand van de gegevens van onderstaand schema van de toendra uit dat een toename van afgestorven materiaal tot een toename in het aantal lemmingen kan leiden.

 

Onderzoekers herkenden in de veranderingen in de lemmingendichtheid een regelmatig terugkerend patroon. Als verklaring daarvoor stelden zij onder meer de volgende drie theorieŽn op:
1 de predator-prooi-theorie: deze theorie verklaart de veranderingen door er vanuit te gaan dat prooi en predator elkaars aantallen regelen;
2 de hormonale theorie: deze theorie verklaart de veranderingen op grond van hormonale veranderingen in de lemmingen;
3 de voedingsstof-herstel-theorie: deze theorie verklaart de veranderingen door veranderingen in het voedselaanbod van de lemmingen.

In de bovengenoemde theorieŽn worden biotische factoren genoemd die invloed kunnen hebben op de lemmingendichtheid.
1p  19 Noem nog een andere biotische factor die hierbij voor lemmingen van invloed kan zijn.
 

In een kusttoendragebied rond Burrow, in Alaska, zijn sinds 1945 tellingen uitgevoerd van het aantal lemmingen. De afbeelding hieronder geeft de resultaten weer van dit onderzoek in de periode 1955-1970.



De afbeelding is uitgebreid met een Y-as havikendichtheid.

2p  20 - Schets in deze afbeelding een grafiek die het verloop van de aantallen haviken aangeeft in de periode 1955-1970 volgens de predator-prooi-theorie.
- Voeg de volledige legenda toe.
 

Wanneer er veel planten groeien op de toendra, vormen deze een isolerende laag. Daardoor blijft het volgende voorjaar de bodem meer in bevroren toestand en kunnen nutriŽnten niet wegstromen. De nutriŽnten blijven beschikbaar voor planten. Wanneer de begroeiing van de toendra door begrazing afneemt, gebeurt het omgekeerde.
In de afbeelding hieronder worden de drie genoemde theorieŽn over de veranderingen van het aantal lemmingen met elkaar in verband gebracht. Niet alle vakken in de afbeelding zijn ingevuld.




bewerkt naar: O.W. Archibold, Ecology of world vegetation, London etc., 1995, 312

In de lege vakken 1, 2, 3 en 4 van de afbeelding horen de volgende omschrijvingen te staan:

P kwaliteit van het voedsel van de lemmingen;
Q omvang van de populatie predatoren;
R hormonale toestand van lemmingen;
S biomassa van producenten.
2p  21 Welke van onderstaande combinaties van omschrijvingen geeft de juiste invulling van de vakken 1, 2, 3 en 4?

vakken
1
2
3
4
A P R S Q
B P S R Q
C Q R P S
D Q R S P
E S Q P R
F S Q R P
 


Plantencellen
Een korstmos bestaat uit twee verschillende typen organismen: een alg en een schimmel. Korstmossen kunnen onder extreme omstandigheden leven: ze zijn bijvoorbeeld goed bestand tegen extreme koude en droogte.
In een experiment laat men een korstmos groeien op een suikeroplossing. De schimmeldraden blijken dan te groeien, maar de algen verdwijnen. In een ander experiment met korstmos blijkt dat de algen zonder schimmel kunnen blijven leven als er voldoende licht, water en voedingszouten voor de algen beschikbaar zijn.
Een leerling noemt de hier beschreven relatie tussen alg en schimmel in korstmos 'mutualisme'. Een andere leerling is het daar niet mee eens.
2p  22 Leg uit dat in deze experimentele situaties het begrip 'mutualisme' niet van toepassing is op de relatie tussen schimmel en alg in een korstmos.
Geef in je uitleg ook de definitie van het begrip mutualisme.
 


Ecosystemen
De afbeelding hieronder geeft schematisch de productie van een loofbos in gematigde delen van Europa weer. Met productie wordt in de afbeelding de hoeveelheid geproduceerde stof (in kg droge massa per hectare per jaar) bedoeld. De omvang van deze productie is in de afbeelding met getallen aangegeven.


bron: O.W. Archibold, Ecology of world vegetation, London etc., 1995, 191

3p  23 Bereken hoeveel procent van de totale productie afkomstig is van de in het schema genoemde bovengrondse houtige delen.
Rond je uitkomst af op een geheel getal.
 


Energie
Bij experimenten met jonge koolmezen bleek dat de overlevingskans van de jongen wordt beÔnvloed door de buitentemperatuur en door het aantal jongen dat zich in een nestkast bevindt. Het diagram hieronder geeft de temperatuurtolerantie weer van broedsels van de koolmees in nesten met 3, 6, 12 of 18 jongen. In het onderzoek werden andere factoren, zoals de afmeting van de nestkast en de voedselvoorziening per jong, voor alle nesten gelijk gehouden.



bewerkt naar: K. Bakker e.a., red., Inleiding tot de oecologie, Utrecht, 1985, 40

In een nestkast zitten de jongen dicht tegen elkaar en vormen met elkaar min of meer een bol. De temperatuurtolerantie houdt verband met het quotiŽnt A/V waarin A het gezamenlijke lichaamsoppervlak van de jongen is dat aan de omgeving is blootgesteld en V het gezamenlijke lichaamsvolume van de jongen.

2p  24 - Leg uit waardoor de tolerantiegrens voor lagere temperaturen van een nest met 18 jongen lager ligt dan die van een nest met 3 jongen.
- Gebruik in je uitleg het quotiŽnt A/V.
 

In de afbeelding hieronder zijn de assimilatie-efficiŽntie (A/I) en de productiviteitsefficiŽntie (P/A) van twee groepen zoogdieren in een graslandecosysteem schematisch weergegeven.


bewerkt naar: M. Begon e.a., Ecology: individuals, populations and communities, Boston etc., 1996, 737

2p  25 Bereken R in joules voor de groep planteneters als I een energie-inhoud heeft van 100 joules.
 

De assimilatie-efficiŽntie (A/I) is bij de planteneters kleiner dan bij de vleeseters. Als verklaring hiervoor worden de volgende beweringen gedaan.
1 De assimilatie-efficiŽntie (A/I) is bij de planteneters kleiner doordat de vertering van plantaardig materiaal per volume-eenheid minder energie kost dan de vertering van een gelijke volume-eenheid dierlijk materiaal.
2 De assimilatie-efficiŽntie (A/I) is bij de planteneters kleiner doordat het geresorbeerde voedsel minder organische stof bevat dan het geresorbeerde voedsel bij vleeseters.
2p  26 Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
A geen van beide beweringen
B alleen bewering 1
C alleen bewering 2
D beide beweringen
 


Katten
Een leerling heeft toestemming om de zwerfkattenpopulatie in een bepaalde wijk (een gebied van ca. 300 bij 1800 meter) te onderzoeken. Hij plaatst op vier willekeurige plaatsen in de wijk vangkooien met lokaas. Hij plaatst de kooien op een zondag van 9 tot 21 uur. Om het uur controleert hij de kooien. In totaal vangt hij 18 verschillende katten. Hij merkt de gevangen katten en laat iedere kat die dag na 21 uur weer los. De volgende zondag herhaalt hij deze opzet. Dan vangt hij 16 verschillende katten waarvan er twee gemerkt zijn.
Op grond van deze gegevens maakt hij een voorlopige schatting van het aantal katten in deze wijk uitgaande van de volgende aannames:
de eerste 18 katten die hij ving, hebben zich weer homogeen in de populatie verdeeld
het vangen en merken heeft geen invloed op het terugvangen
2p  27 Bereken uit hoeveel katten de populatie in die wijk op grond van bovenstaande gegevens bestaat.
 

2p  28 Noem drie veranderingen van zijn proefopzet waardoor deze leerling de nauwkeurigheid van de schatting van de populatiegrootte kan verbeteren. De beide aannames dat de katten zich weer homogeen verdelen en dat het vangen en merken geen invloed heeft, moeten blijven gelden.
 

Deze leerling leest vervolgens dat je bij het vaststellen van de populatiegrootte rekening moet houden met de invloed die de werkwijze heeft op het gedrag van de dieren. Hij vraagt zich af of zijn aannames wel juist waren. Misschien had de eerste vangst toch invloed op de aantallen die hij bij de tweede vangst heeft gevonden. Hij legt zijn vraag voor aan zijn docente die de volgende veronderstelling formuleert:
Een kat die al eens eerder gevangen is, zal moeilijker te vangen zijn dan een kat die niet eerder gevangen is.
2p  29 Als de veronderstelling van de docente juist is, is dan de werkelijke kattenpopulatie kleiner dan, gelijk aan of groter dan het door de leerling gevonden aantal?
A kleiner
B gelijk
C groter
 


In een ecosysteem
Aan de Noordwestkust van de Verenigde Staten van Amerika leven op de vloedgrens allerlei organismen, zoals verschillende soorten algen, mosselen, zeepokken, slakken en zeesterren. Een deel van het voedselweb van deze levensgemeenschap is weergegeven in de afbeelding hieronder.



bron: P. Stiling, Introductory ecology, Englewood Cliffs, 1992, 331

1p  30 Hoe wordt de in de afbeelding weergegeven voedselrelatie tussen de zeester en de zeeslak genoemd'?
 


Bij het begin van een onderzoek naar relaties in dit voedselweb werden in het voedselweb vijftien verschillende soorten onderscheiden. Tijdens het onderzoek verwijderde de onderzoeker gedurende enkele jaren steeds alle zeesterren in een geÔsoleerd gedeelte van deze kust. Binnen enkele maanden na het begin van het onderzoek kregen de zeepokken de kans zich sterk uit te breiden, maar in een latere fase werden de zeepokken van hun plaats verdrongen door de mosselen. Uiteindelijk waren er van de oorspronkelijke vijftien soorten in het voedselweb nog slechts acht over en de mosselen hadden de overhand. Twee leerlingen trekken uit dit onderzoek de volgende conclusies.
Leerling 1 zegt: Mosselen concurreren met zeepokken om hetzelfde voedsel.
Leerling 2 zegt: Mosselen planten zich sneller voort dan zeepokken.
2p  31 Welke van deze leerlingen trekt of welke trekken een conclusie die op grond van bovenstaande gegevens juist is?
A geen van beide leerlingen
B alleen leerling 1
C alleen leerling 2
D beide leerlingen
 

In de afbeelding hieronder zijn de energiestromen op een trofisch niveau n weergegeven.



bewerkt naar: M. Begon e.a., Ecology: individuals, populations and communities, Boston etc., 1996, 732

Over de energiestroom Rn in de afbeelding worden de volgende beweringen gedaan.

1 Rn geeft de mate van koolstofassimilatie aan op trofisch niveau n.
2 Rn geeft de mate van voortgezette assimilatie aan op trofisch niveau n.
2p  32 Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
A geen van beide beweringen
B alleen bewering 1
C alleen bewering 2
D de beweringen 1 en 2
 


Bomen
De biomassa van een bos waarin de mens niet ingrijpt, is afhankelijk van het stadium van de successie waarin het bos zich bevindt. In het diagram van de afbeelding hieronder zijn drie grafieken getekend. Eťn van deze grafieken geeft de biomassa (in kg drooggewicht per m≤) weer.


3p  33 Welke van de grafieken geeft het verloop van de biomassa tijdens successie weer?
Leg je antwoord uit. Geef in je uitleg de reden waarom je de grafiek hebt gekozen en geef de redenen waarom je de twee andere grafieken niet hebt gekozen.
 


Mestvliegen
 
tekst
Vrouwelijke mestvliegen (Catophaga stercoraria) leggen hun eieren in verse koeienvlaaien. Mannelijke mestvliegen zitten op een koeienvlaai te wachten tot een vrouwtje arriveert. Zodra een vrouwtje op de vlaai is geland, paart het mannetje met haar. Hoe meer mannetjes op een koeienvlaai zitten, hoe minder kans een mannetje heeft om met een vrouwtje te paren. Vrouwtjes leggen hun eieren het liefst op een verse koeienvlaai. Voor mannetjes is de vraag: wanneer moeten ze op zoek naar een koeienvlaai die verser is dan die waar ze op zitten?

bewerkt naar: L.C. Drickamer e.a., Animal Behavior. Mechanisms, Ecology, Evolution, Dubuque etc., 1996, 55-56

Er is onderzoek gedaan naar het voorkomen van mannelijke mestvliegen op koeienvlaaien. De resultaten van dit onderzoek zijn weergegeven in het diagram van de afbeelding hieronder. Je kunt er van uitgaan dat de omvang van de populatie gelijk blijft.

Naar aanleiding van de gegevens in de afbeelding worden de volgende conclusies overwogen:
1 Mannetjes kiezen een vaste verblijfsduur op een koeienvlaai.
2 In augustus is de competitie tussen mannetjes om een vrouwtje groter dan in juni.
3 Na een kwartier geldt dat hoe ouder een koeienvlaai is, hoe meer mannetjes zijn weggevlogen.
2p  34 Welke van deze conclusies is of welke zijn juist?
A alleen 1
B alleen 2
C alleen 3
D 1 en 3
E 2 en 3
 

In de afbeelding hieronder is het aantal paringen dat individuele mannetjes op ťťn koeienvlaai uitvoeren, uitgezet tegen de maximale verblijfsduur op die koeienvlaai.

Over de relatie tussen de verblijfsduur van een mannelijke mestvlieg op een koeienvlaai en zijn voortplantingskansen worden de volgende beweringen gedaan.
1 De voortplantingskans van mannetjes is onafhankelijk van de verblijfsduur op een koeienvlaai, omdat elk mannetje gemiddeld ongeveer 5x paart.
2 De voortplantingskans van mannetjes wordt groter naarmate de verblijfsduur op een koeienvlaai korter is.
2p  35 Welke van deze beweringen is of welke zijn juist?
A geen van beide beweringen
B alleen bewering 1
C alleen bewering 2