Monohybride kruisingen met een dominant en recessief allel.
| |
fenotypen |
genotypen |
| P |
bruin x wit |
AA x aa |
| gameten |
|
A a |
| F1 |
allemaal bruin (= uniform) |
Aa |
| F1 x F1 |
bruin x bruin |
Aa x Aa |
| gameten |
|
A of a A of a |
| F2 |
bruin : wit = 3 : 1 |
|
Voorspellen verhoudingen bij de nakomelingen:
Het allel A (= bruin) is dominant over het allel a (wit).
We kruisen eerst twee homozygote dieren (P) en daarna de nakomelingen (F1) onderling.
Er ontstaan dan altijd dezelfde vaste verhoudingen.
P = ouders
F1= nakomelingen van de P
F2 = nakomelingen van F1 x F1
(blz. 95 en 96)
Conclusies trekken uit de verhoudingen bij de nakomelingen.
| gegevens |
conclusie |
|
Beide ouders hebben een verschillend fenotype en alle nakomelingen hebben het fenotype van één van de ouders.
|
Het fenotype van de nakomelingen wordt bepaald door het dominante allel.
Beide ouders zijn homozygoot AA x aa.
(Deze conclusie mag alleen als het aantal nakomelingen erg groot is.)
|
|
Beide ouders hebben hetzelfde fenotype en één (of meer) nakomelingen hebben een ander fenotype.
|
De nakomeling(en) met het andere fenotype is (zijn) homozygoot recessief (aa). Ouders zijn heterozygoot (Aa x Aa).
|
|
Verhouding van de fenotypen bij de nakomelingen is 3 : 1.
|
Ouders zijn beide heterozygoot (Aa x Aa) en hebben het dominante fenotype.
|
|
Beide ouders hebben een verschillend fenotype en bij een nakomeling komt het recessieve allel tot uiting.
|
De ouder met het dominante fenotype is heterozygoot. Ouders zijn Aa x aa.
|
Intermediair
Bij de meeste eigenschappen hebben we te maken met dominante en recessieve allelen. Een heterozygoot individu heeft dan het fenotype van het dominante allel. Er komen echter ook eigenschappen voor, waarbij beide allelen tot uiting komen in het fenotype.
Een heterozygoot individu heeft dan een eigen fenotype. Een dergelijk fenotype noemen we intermediair.
(blz. 93, afb. 8)
Meerdere allelen per gen
Meestal zijn er maar twee allelen per gen (bv. A en a). Soms zijn er drie of meer. Deze allelen kunnen dominant, recessief en intermediair zijn.
Dit is o.a. het geval bij de overerving van de ABO-bloedgroepen.
(blz. 101)
Letale factor
De nakomeling die homozygoot is voor dit allel, is niet levensvatbaar.
Er ontstaat bij de fenotypen van de (levende) nakomelingen een verhouding van 1 : 2.
(blz. 101)
X-chromosomale genen
X en Y zijn de geslachtschromosomen. X-chromosomaal wil zeggen dat de genen in het X-chromosoom liggen.
De genen in het X-chromosoom komen niet voor in het Y-chromosoom.
X-chromosomale genen kunnen dominant, recessief of intermediair overerven.
Bij de overerving van een X-chromosomaal gen (o.a. in stambomen) kun je gebruik maken van de volgende regels:
Een zoon krijgt van de moeder altijd het X-chromosoom met een X-chromosomaal allel.
Is de moeder homozygoot recessief (aa) dan kan de zoon nooit het dominante fenotype (A) hebben.
Een vader geeft altijd een X-chromosomaal allel aan zijn dochter.
Heeft de vader het dominante allel (A ) dan heef de dochter nooit het recessieve fenotype (aa).
Een vader geeft aan zijn zonen altijd het Y-chromosoom en dus nooit een X-chromosomaal allel.
(blz. 97 en 98)
| |
fenotypen |
genotypen |
| P |
zwart ruw x wit glad |
AABB x aabb |
| gameten |
|
AB ab |
| F1 |
allemaal zwart ruw (= uniform) |
AaBb |
| F1 x F1 |
zwart ruw x zwart ruw |
AaBb x AaBb |
| gameten |
|
AB - Ab - aB - ab AB - Ab - aB - ab |
| F2 |
zwart ruw : zwart glad : wit ruw : wit glad =
9 : 3 : 3 : 1 |
| | AB | Ab | aB | ab |
| AB | AABB | AABb | AaBB | AaBb |
| Ab | AABb | AAbb | AaBb | Aabb |
| aB | AaBB | AaBb | aaBB | aaBb |
| ab | AaBb | Aabb | aaBb | aabb |
|
Dihybride kruising met twee genen.
Voorspellen verhoudingen bij de nakomelingen.
Het allel A (zwart haar) is dominant over het allel a (wit haar) en het allel B (ruw haar) is dominant over het allel b (glad haar).
Een heterozygoot organisme (AaBb) maakt vier verschillende gameten: AB, Ab, aB en ab.
Kruising AaBb x AaBb (met alleen dominante en recessieve allelen) ® verhouding fenotypen bij nakomelingen ® 9 : 3 : 3 : 1.
Verhoudingen 15 : 1 of 9 : 4 : 1 bij de nakomelingen ® ouders meestal AaBb x AaBb (2 genen - 4 allelen).
(blz. 99)
Kansberekening bij onafhankelijke overerving (de genen liggen op verschillende chromosomen):
bv. zwart ruw x zwart ruw = AaBb x AaBb (zwart is dominant over wit en ruw is dominant over glad)
Eerst wordt de kans bij het ene gen berekend en daarna die bij het andere gen. Dan worden de kansen gecombineerd (met elkaar vermenigvuldigd).
Kans per gen:
- Aa x Aa ® kans op zwart = 3/4 en kans op wit = 1/4
- Bb x Bb ® kans op ruw = 3/4 en kans op glad = 1/4
Kans bij twee genen:
- kans op zwart ruw = 3/4 . 3/4 = 9/16
- kans op zwart glad = 3/4 . 1/4 = 3/16
- kans op wit ruw = 1/4 . 3/4 = 3/16
- kans op wit glad = 1/4 . 1/4 = 1/16
(blz. 100)
Gekoppelde genen en crossing-over
Gekoppelde genen liggen in hetzelfde chromosoom. Ze erven niet onafhankelijk over.
Als bv. de allelen A en B gekoppeld zijn, maakt een organisme AaBb maar twee type gameten (AB en ab). De gameten aB en Ab komen niet voor.
Bij gekoppelde overerving moet je altijd de ligging (lineair) van de allelen op de chromosomen aangeven.
(blz. 101)
Koppeling kan worden verbroken door crossing-over. Dus bij een organisme met het genotype AaBb komen dan vier verschillende gameten (AB, Ab, aB en ab) voor. (blz. 153 en 154)
Hoewel de kans op crossing-over klein is (meestal enkele procenten), is het wel op meerdere plaatsen in een stamboom mogelijk. Bij iedere bevruchting is er een nieuwe kans.
X-chromosomale genen zijn altijd gekoppeld.
|