examentermen 4 vwo thema 3 

Een compleet overzicht van alle eindtermen, ook die in een bepaald jaar vervallen, kun je vinden bij www.eindexamen.nl.
De aangegeven blz. verwijzen naar het handboek 4 vwo.

Domein C: Levenscyclus
De kandidaat kan
28
uitleggen waardoor het fenotype ontstaat onder invloed van genotype en milieufactoren.
fenotype = genotype + milieu
(blz. 91)

29
aan de hand van gegevens aangeven of bepaalde veranderingen van het fenotype worden veroorzaakt door genotype of milieu.
Als organismen met een gelijk genotype een verschillend fenotype hebben dann wordt dit verschil veroorzaakt door het milieu.
Zo'n (niet erfelijk) verschil noemen we een modificatie.
(blz. 91)

36
de uitkomst voorspellen van mono- en dihybride kruisingen, onder andere met behulp van kansberekeningen
in het bijzonder:
  • dominante en recessieve allelen;
  • intermediair fenotype;
  • X-chromosomale genen;
  • gekoppelde genen.
  • Monohybride kruisingen met een dominant en recessief allel.
      fenotypen genotypen
    P bruin     x     wit AA     x     aa
    gameten   A             a
    F1 allemaal bruin (= uniform) Aa
    F1   x   F1 bruin     x     bruin Aa    x     Aa
    gameten   A of a           A of a
    F2 bruin : wit = 3 : 1
     Aa
    AAAAa
    aAaaa
  • Voorspellen verhoudingen bij de nakomelingen:
    Het allel A (= bruin) is dominant over het allel a (wit).
    We kruisen eerst twee homozygote dieren (P) en daarna de nakomelingen (F1) onderling.
    Er ontstaan dan altijd dezelfde vaste verhoudingen.

    P = ouders
    F1= nakomelingen van de P
    F2 = nakomelingen van F1 x F1

    (blz. 95 en 96)

  • Conclusies trekken uit de verhoudingen bij de nakomelingen.

    gegevens conclusie
    Beide ouders hebben een verschillend fenotype en alle nakomelingen hebben het fenotype van één van de ouders. Het fenotype van de nakomelingen wordt bepaald door het dominante allel.
    Beide ouders zijn homozygoot AA x aa.
    (Deze conclusie mag alleen als het aantal nakomelingen erg groot is.)
    Beide ouders hebben hetzelfde fenotype en één (of meer) nakomelingen hebben een ander fenotype. De nakomeling(en) met het andere fenotype is (zijn) homozygoot recessief (aa). Ouders zijn heterozygoot (Aa x Aa).
    Verhouding van de fenotypen bij de nakomelingen is 3 : 1. Ouders zijn beide heterozygoot (Aa x Aa) en hebben het dominante fenotype.
    Beide ouders hebben een verschillend fenotype en bij een nakomeling komt het recessieve allel tot uiting. De ouder met het dominante fenotype is heterozygoot. Ouders zijn Aa x aa.

    Intermediair
    Bij de meeste eigenschappen hebben we te maken met dominante en recessieve allelen. Een heterozygoot individu heeft dan het fenotype van het dominante allel. Er komen echter ook eigenschappen voor, waarbij beide allelen tot uiting komen in het fenotype.
    Een heterozygoot individu heeft dan een eigen fenotype. Een dergelijk fenotype noemen we intermediair.
    (blz. 93, afb. 8)

    Meerdere allelen per gen
    Meestal zijn er maar twee allelen per gen (bv. A en a). Soms zijn er drie of meer. Deze allelen kunnen dominant, recessief en intermediair zijn.
    Dit is o.a. het geval bij de overerving van de ABO-bloedgroepen.
    (blz. 101)

    Letale factor
    De nakomeling die homozygoot is voor dit allel, is niet levensvatbaar.
    Er ontstaat bij de fenotypen van de (levende) nakomelingen een verhouding van 1 : 2.
    (blz. 101)

    X-chromosomale genen
    X en Y zijn de geslachtschromosomen. X-chromosomaal wil zeggen dat de genen in het X-chromosoom liggen.
    De genen in het X-chromosoom komen niet voor in het Y-chromosoom.
    X-chromosomale genen kunnen dominant, recessief of intermediair overerven.

    Bij de overerving van een X-chromosomaal gen (o.a. in stambomen) kun je gebruik maken van de volgende regels:

  • Een zoon krijgt van de moeder altijd het X-chromosoom met een X-chromosomaal allel.
  • Is de moeder homozygoot recessief (aa) dan kan de zoon nooit het dominante fenotype (A) hebben.
  • Een vader geeft altijd een X-chromosomaal allel aan zijn dochter.
  • Heeft de vader het dominante allel (A ) dan heef de dochter nooit het recessieve fenotype (aa).
  • Een vader geeft aan zijn zonen altijd het Y-chromosoom en dus nooit een X-chromosomaal allel.
    (blz. 97 en 98)

      fenotypen genotypen
    P zwart ruw     x     wit glad AABB     x     aabb
    gameten   AB             ab
    F1 allemaal zwart ruw (= uniform) AaBb
    F1   x   F1 zwart ruw     x     zwart ruw AaBb    x     AaBb
    gameten   AB - Ab - aB - ab           AB - Ab - aB - ab
    F2 zwart ruw : zwart glad : wit ruw : wit glad =
    9 : 3 : 3 : 1
     ABAbaBab
    ABAABBAABbAaBBAaBb
    AbAABbAAbbAaBbAabb
    aBAaBBAaBbaaBBaaBb
    abAaBbAabbaaBbaabb

    Dihybride kruising met twee genen.

  • Voorspellen verhoudingen bij de nakomelingen.
    Het allel A (zwart haar) is dominant over het allel a (wit haar) en het allel B (ruw haar) is dominant over het allel b (glad haar).
    Een heterozygoot organisme (AaBb) maakt vier verschillende gameten: AB, Ab, aB en ab.

    Kruising AaBb x AaBb (met alleen dominante en recessieve allelen) ® verhouding fenotypen bij nakomelingen ® 9 : 3 : 3 : 1.

    Verhoudingen 15 : 1 of 9 : 4 : 1 bij de nakomelingen ® ouders meestal AaBb x AaBb (2 genen - 4 allelen).
    (blz. 99)

  • Kansberekening bij onafhankelijke overerving (de genen liggen op verschillende chromosomen):
    bv. zwart ruw x zwart ruw = AaBb x AaBb (zwart is dominant over wit en ruw is dominant over glad)
    Eerst wordt de kans bij het ene gen berekend en daarna die bij het andere gen. Dan worden de kansen gecombineerd (met elkaar vermenigvuldigd).
    Kans per gen:
    - Aa x Aa ® kans op zwart = 3/4 en kans op wit = 1/4
    - Bb x Bb ® kans op ruw = 3/4 en kans op glad = 1/4
    Kans bij twee genen:
    - kans op zwart ruw = 3/4 . 3/4 = 9/16
    - kans op zwart glad = 3/4 . 1/4 = 3/16
    - kans op wit ruw = 1/4 . 3/4 = 3/16
    - kans op wit glad = 1/4 . 1/4 = 1/16
    (blz. 100)

    Gekoppelde genen en crossing-over

  • Gekoppelde genen liggen in hetzelfde chromosoom. Ze erven niet onafhankelijk over.
    Als bv. de allelen A en B gekoppeld zijn, maakt een organisme AaBb maar twee type gameten (AB en ab). De gameten aB en Ab komen niet voor.
    Bij gekoppelde overerving moet je altijd de ligging (lineair) van de allelen op de chromosomen aangeven.
    (blz. 101)
  • Koppeling kan worden verbroken door crossing-over. Dus bij een organisme met het genotype AaBb komen dan vier verschillende gameten (AB, Ab, aB en ab) voor.
    (blz. 153 en 154)

    Hoewel de kans op crossing-over klein is (meestal enkele procenten), is het wel op meerdere plaatsen in een stamboom mogelijk. Bij iedere bevruchting is er een nieuwe kans.

    X-chromosomale genen zijn altijd gekoppeld.

  • 37
    de in eindterm 36 genoemde kennis toepassen in stamboomonderzoek en bij de erfelijke bepaling van het geslacht.
    Bepaling welk allel dominant is in een stamboom.
  • Zoek twee ouders die hetzelfde fenotype hebben en die een nakomeling krijgen met een ander fenotype.
  • Man 10 en vrouw 11 krijgen dochter 15 met afwijkend fenotype.
  • De allelen van de dochter (normale vingers) zijn afkomstig van de ouders en daar niet zichtbaar.
  • Allelen die niet tot uiting komen in het fenotype zijn recessief. Normale vingers is dus recessief.

  • In een stamboom mag je bijna nooit met verhoudingen werken. Er zijn te weinig nakomelingen.
  • Alle kinderen van vrouw 1 en man 2 hebben normale vingers. Hieruit mag je niet de conclusie trekken dat normale vingers dominant is.

    X-chromosomaal

  • Uit de stamboom blijkt dat het gen voor korte vingers niet X-chromosomaal is. Korte vingers is domimant.
  • Als de eigenschap wel X-chromosomaal is, is het genotype van man 2, XAY .
  • Man 8 geeft aan zijn dochters (5, 6 en 7) het X-chromosoom (XA).
  • De dochters kunnen dan niet het recessieve fenotype hebben.
    (blz. 96)